Mohamed ZagoudiAdelix Automation

Copilot

Computer-using agents in Copilot Studio zijn algemeen beschikbaar

Copilot Studio-agents kunnen websites en desktopapps via de UI bedienen. Wat de GA inhoudt, welke modellen en beveiligingsgrenzen er zijn en wat een stap kost.

Abstracte technische illustratie bij het artikel over computer-using agents in Copilot Studio
In dit artikel
  1. Wat computer use is
  2. Wat de GA-aankondiging noemt
  3. Hoe de tool is opgebouwd
  4. Modellen
  5. De machine en de inloggegevens
  6. Beveiligingsgrenzen
  7. Kosten
  8. Plaats in het automatiseringslandschap
  9. Bronnen

Op 26 mei 2026 maakte Microsoft in een blogpost van Nitasha Chopra bekend dat computer-using agents in Microsoft Copilot Studio algemeen beschikbaar zijn. Daarmee krijgt een categorie automatisering een productiestatus die tot nu toe vooral in demonstraties zichtbaar was: een agent die een website of Windows-toepassing bedient zoals een mens dat doet, met een virtuele muis en een virtueel toetsenbord, zonder dat er een API aan te pas komt.

Copilot Studio, niet GitHub Copilot

Copilot Studio is het platform binnen Power Platform waarmee organisaties eigen agents bouwen en publiceren, bijvoorbeeld voor Teams of voor autonome achtergrondtaken. Het is een ander product dan Microsoft 365 Copilot (de assistent in Office-apps) en dan GitHub Copilot, de ontwikkelaarsagent die eerder dit jaar in de terminal algemeen beschikbaar werd.

Wat computer use is

Computer use is een tool die aan een Copilot Studio-agent wordt toegevoegd. De maker beschrijft in natuurlijke taal welke taak de agent op een computer moet uitvoeren: een portaal openen, een formulier invullen, gegevens uit een scherm aflezen. De tool voert dat uit op een Windows-machine door knoppen te selecteren, menu's te kiezen en tekst in velden te typen.

De onderliggende techniek is een model dat beeldherkenning combineert met redeneren over de interface (een Computer-Using Agent, CUA). Omdat het model naar het scherm kijkt in plaats van naar vaste coördinaten of element-ID's, blijft de automatisering volgens Microsoft werken wanneer knoppen of schermen veranderen. Dat is het verschil met klassieke RPA, waar een verplaatste knop de flow breekt.

Het toepassingsgebied is duidelijk: processen zonder API. Denk aan leveranciersportalen, oudere interne toepassingen, overheidsloketten en alles waar de enige koppeling het scherm is.

Wat de GA-aankondiging noemt

De blogpost noemt drie zaken die de tool volgens Microsoft "enterprise-ready" maken:

  • Veilig credentialbeheer – de agent kan inloggen op websites en toepassingen met beheerde wachtwoorden, zonder dat die in de instructies staan.
  • Modelkeuze – per tool kan een model worden gekozen dat past bij het scenario.
  • Bestendigheid tegen UI-wijzigingen – de automatisering past zich aan veranderende interfaces aan in plaats van te breken.

Daarnaast noemt dezelfde post twee andere ontwikkelingen. Een herontworpen workflows-ervaring, met één canvas waarop bestaande agents als knooppunt in een workflow worden geplaatst en waarin computer-using agents als stap kunnen worden opgenomen, is beschikbaar in early-release-omgevingen (uitrol nog niet algemeen). En real-time voice-agents, die via spraak een beller identificeren, vragen beantwoorden en met behoud van context naar een medewerker doorschakelen, zijn algemeen beschikbaar in Noord-Amerika via Dynamics 365 Contact Center.

Hoe de tool is opgebouwd

De documentatie beschrijft de inrichting stap voor stap. De tool is alleen beschikbaar voor agents waarvoor generatieve orchestratie is ingeschakeld; de agent beslist dan zelf op basis van beschrijving en context wanneer hij de tool inzet.

Bij het toevoegen worden vier velden ingevuld:

VeldFunctie
NameWeergavenaam, om de tool te onderscheiden van andere tools van de agent
DescriptionKorte omschrijving van wat de tool doet en wanneer de agent hem moet gebruiken
ModelHet model dat de UI-acties uitvoert
InstructionsDe stappen die de tool moet uitvoeren, inclusief URL's en toepassingsnamen

De kwaliteit van de instructies bepaalt grotendeels het resultaat. De documentatie adviseert volledige URL's en exacte toepassingsnamen, expliciete acties ("selecteer Verzenden, geen bevestiging nodig") en een genummerde lijst voor langere taken. Er zijn sjablonen beschikbaar, en een testweergave toont links de redenering en acties van de tool en rechts een voorbeeld van het scherm.

Modellen

Voor het uitvoerende model zijn vier opties beschikbaar:

AanbiederModelTierStatus
OpenAIComputer-Using Agent (CUA)Standardalgemeen beschikbaar
AnthropicClaude Sonnet 4.5Standardalgemeen beschikbaar
AnthropicClaude Sonnet 4.6Standardexperimenteel
AnthropicClaude Opus 4.6Premiumexperimenteel

Voor de Anthropic-modellen geldt een voorwaarde: de Power Platform-beheerder moet voor de omgeving toegang tot externe modellen hebben ingeschakeld. Zonder die instelling zijn alleen de OpenAI-opties bruikbaar.

De machine en de inloggegevens

Computer use draait niet in Copilot Studio zelf, maar op een Windows-machine die via het machinebeheer van Power Automate is geregistreerd. In de toolconfiguratie kiest de maker die machine; beheer en details lopen via Power Automate.

Voor de toegang tot die machine zijn er twee opties:

  • Maker-provided credentials (standaard) – de tool werkt met de rechten van de maker; geschikt voor autonome agents. De documentatie waarschuwt dat iedereen met wie de agent wordt gedeeld daarmee handelt met de toegang van de oorspronkelijke maker op die machine.
  • End user credentials – de tool gebruikt de inloggegevens van de persoon die met de agent werkt; elke gebruiker heeft dan eigen toegang tot de machine nodig.

Los daarvan zijn er de stored credentials voor websites en toepassingen die tijdens de taak om een login vragen. Die worden per site of per toepassing vastgelegd en bewaard in de interne, versleutelde opslag van Power Platform, of in een Azure Key Vault die de organisatie zelf beheert. Wachtwoordvelden worden ondersteund op websites en de meeste Windows-toepassingen (WinForms, WPF, UWP, WinUI, Win32).

Beveiligingsgrenzen

Een agent die een computer bedient, heeft duidelijke grenzen nodig. De documentatie biedt er drie:

Access control. Standaard mag de tool elke website en toepassing bedienen. Met access control wordt dat beperkt tot een allow-list van URL's (met jokertekens voor subdomeinen) en desktoptoepassingen. De beperking werkt op handelen, niet op openen: de tool kan een niet-toegestane site nog wel in beeld krijgen, maar elke interactie ermee mislukt.

Enforce HTTPS. Met deze instelling werkt de tool alleen met websites waarvan de URL met https:// begint.

Human supervision. De maker wijst een persoon aan die via Outlook een e-mail krijgt wanneer de tool instructies detecteert die mogelijk schadelijk zijn of het modelgedrag proberen te beïnvloeden. De run wacht op antwoord binnen een ingestelde termijn en stopt als dat uitblijft. De documentatie merkt op dat de beoordelaar bij voorkeur de persoon is die de run heeft gestart, omdat alleen die de activiteit ziet.

Aanbevelingen voor de machine

De documentatie adviseert voor computer use een toegewijde, geïsoleerde machine; een gebruikersaccount met zo weinig rechten als mogelijk; webtoegang beperkt tot een allow-list van vertrouwde domeinen (bijvoorbeeld via Edge-beleid uit Intune); en alleen de desktoptoepassingen geïnstalleerd en toegestaan die voor de taak nodig zijn (bijvoorbeeld via application control).

Kosten

Computer use wordt afgerekend via de agent-action-functie in Copilot Credits. Elke run bestaat uit stappen; een stap kan een of meer laag-niveau-acties omvatten, zoals klikken, typen of navigeren. Een stap kost 5 Copilot Credits bij een standaardmodel en 15 bij een premium-model. Het voorbeeld uit de documentatie: een urenregistratie invullen in vier stappen kost 20 credits met een standaardmodel en 60 met een premium-model.

Voor de businesscase telt dus het aantal stappen per run maal het aantal runs, niet de duur of het aantal klikken.

Plaats in het automatiseringslandschap

Computer use is bedoeld als sluitstuk, niet als eerste keus. Waar een API of connector bestaat, is die betrouwbaarder, goedkoper en beter te controleren. Waar die ontbreekt, biedt de tool een alternatief voor klassieke schermautomatisering, met als belangrijkste verschil dat een gewijzigde interface niet direct tot een gebroken flow leidt. De documentatie positioneert de tool dan ook vooral voor autonome agents die op de achtergrond werken; in conversationele agents kan hij ook worden ingezet, maar dan met de kanttekening dat elke gebruiker eigen toegang tot de machine nodig heeft en dat redenering en schermafbeeldingen in de chat verschijnen.

Met de GA-status van mei 2026 is de fase van experimenteren voorbij en begint die van inrichten: machines, accounts, allow-lists en toezicht. De techniek is beschikbaar; de zorgvuldigheid moet de organisatie zelf leveren.

Bronnen

Over de auteur

Mohamed Zagoudi

Freelance systeembeheerder & ICT-coördinator

Dit artikel is gebaseerd op eigen praktijkervaring in ICT-beheer en automatisering en bevat geen verwijzingen naar specifieke klanten.

Vragen over dit onderwerp?

Stuur me gerust een bericht. Ik reageer zelf.