Mohamed ZagoudiAdelix Automation

Copilot

Computer-using agents in Copilot Studio zijn algemeen beschikbaar

Copilot Studio-agents bedienen websites en desktopapps via de UI. Wat de GA van mei 2026 inhoudt: modellen, credentials, allow-lists, toezicht en kosten.

Foto bij het artikel over computer-using agents in Copilot Studio

Foto: Startup Stock Photos via stocksnap (Openverse) · CC0 1.0

In dit artikel
  1. Wat computer use is
  2. Wat de GA-aankondiging noemt
  3. Hoe de tool is opgebouwd
  4. Modellen
  5. De machine en de inloggegevens
  6. Beveiligingsgrenzen
  7. Kosten
  8. Autonoom of conversationeel
  9. De rest van de aankondiging van 26 mei
  10. Bronnen

Op 13 mei 2026 maakte Microsoft op het Copilot Studio-blog bekend dat computer use in Microsoft Copilot Studio algemeen beschikbaar is, met een uitbreiding naar alle commerciële geografieën van Power Platform. Op 26 mei volgde een bredere blogpost die de GA in een rij plaatst met een herontworpen workflows-ervaring en real-time voice-agents. Daarmee krijgt een categorie automatisering een productiestatus die tot nu toe vooral in demonstraties zichtbaar was: een agent die een website of Windows-toepassing bedient zoals een mens dat doet, met een virtuele muis en een virtueel toetsenbord, zonder dat er een API aan te pas komt.

Copilot Studio, niet GitHub Copilot

Copilot Studio is het platform binnen Power Platform waarmee organisaties eigen agents bouwen en publiceren, bijvoorbeeld voor Teams of voor autonome achtergrondtaken. Het is een ander product dan Microsoft 365 Copilot (de assistent in Office-apps) en dan GitHub Copilot, de ontwikkelaarsagent die eerder dit jaar in de terminal algemeen beschikbaar werd.

Wat computer use is

Computer use is een tool die aan een Copilot Studio-agent wordt toegevoegd. De maker beschrijft in natuurlijke taal welke taak de agent op een computer moet uitvoeren: een portaal openen, een formulier invullen, gegevens uit een scherm aflezen. De tool voert dat uit op een Windows-machine door knoppen te selecteren, menu's te kiezen en tekst in velden te typen. De documentatie noemt als voorbeelden geautomatiseerde gegevensinvoer, factuurverwerking en gegevensextractie.

De onderliggende techniek is een Computer-Using Agent (CUA): een model dat beeldherkenning combineert met redeneren over de interface. Omdat het model naar het scherm kijkt in plaats van naar vaste selectors, blijft de automatisering volgens Microsoft werken wanneer knoppen of schermen veranderen. Dat is het verschil met klassieke, selector-gebaseerde RPA, waar een verplaatste knop de flow breekt. Het toepassingsgebied dat de GA-aankondiging noemt: leveranciersportalen, interne webapps en eigen line-of-business-systemen zonder API.

Wat de GA-aankondiging noemt

De aankondiging van 13 mei somt op wat de release voor organisaties brengt:

  • Beschikbaarheid in alle commerciële Power Platform-geografieën, binnen de dataresidentie- en compliancegrenzen van de tenant.
  • Beveiligde authenticatie met ingebouwde credentials en Azure Key Vault voor het aanmelden bij websites en desktoptoepassingen.
  • Governance: allow-lists voor websites en desktoptoepassingen, plus de bestaande Power Platform-mechanismen zoals DLP-beleid, omgevingsisolatie en audittrails.
  • Human-in-the-loop-checkpoints voor stappen met lage zekerheid, uitzonderingen en beslissingen die goedkeuring van een operator vragen.
  • Run history en observability: makers en beheerders zien wat de agent zag, waarop hij klikte en waarom; logs gaan ook naar Purview en Dataverse.
  • Modelkeuze met modellen van OpenAI en Anthropic.

De blogpost van 26 mei vat dit samen als veiliger credentialbeheer, modelkeuze per scenario en automatisering die zich aanpast aan veranderende interfaces. Dezelfde post meldt dat computer-using agents als stap in meerstapsworkflows kunnen worden opgenomen; die mogelijkheid gaat naar preview.

Hoe de tool is opgebouwd

De inrichting loopt via Tools → Add tool → New tool → Computer use, gevolgd door Add and configure. Vier velden zijn verplicht:

VeldFunctie
NameWeergavenaam, om de tool te onderscheiden van andere tools van de agent
DescriptionKorte omschrijving van wat de tool doet en wanneer de agent hem inzet
ModelHet model dat de UI-acties uitvoert
InstructionsDe stappen die de tool uitvoert, inclusief URL's en toepassingsnamen

Daarnaast zijn er optionele instellingen, waaronder inputs: dynamische waarden die per run verschillen, zoals een formulierwaarde, en die tijdens de uitvoering met de instructies worden gecombineerd.

De kwaliteit van de instructies bepaalt grotendeels het resultaat. De documentatie adviseert volledige URL's en exacte toepassingsnamen, expliciet benoemde acties ("selecteer Verzenden, geen bevestiging nodig"), gedetailleerde stappen voor complexe schermonderdelen en een genummerde lijst voor langere taken. Er zijn instructiesjablonen beschikbaar, en na opslaan start Test een testweergave: links de instructies met een stapsgewijs logboek van redenering en acties, rechts een voorbeeld van het scherm. Stop testing stopt alle acties op de machine direct.

Voor gegevensextractie kan de tool waarden als platte tekst teruggeven, of als JSON wanneer de uitvoer naar een andere tool van de agent moet, bijvoorbeeld een e-mailtool.

Modellen

De documentatie vermeldt als algemeen beschikbare modellen voor computer use de Computer-Using Agent (CUA) van OpenAI en Claude Sonnet 4.5 van Anthropic, beide in de Standard-tier. De keuze wordt per tool gemaakt in het veld Model.

De machine en de inloggegevens

Computer use draait niet in Copilot Studio zelf, maar op een Windows-machine die via het machinebeheer van Power Automate is geregistreerd. In de toolconfiguratie kiest de maker die machine; beheer en details lopen via Power Automate.

Voor de toegang tot die machine zijn er twee opties:

  • Maker-provided credentials (standaard) – de tool werkt met de rechten van de maker; geschikt voor autonome agents. De documentatie waarschuwt dat iedereen met wie de agent wordt gedeeld daarmee handelt met de toegang van de oorspronkelijke maker op die machine.
  • End user credentials – de tool gebruikt de inloggegevens van de persoon die met de agent werkt; elke gebruiker heeft dan eigen toegang tot de machine nodig.

Los daarvan zijn er de opgeslagen credentials voor websites en toepassingen die tijdens de taak om een login vragen. Per credential worden type (website of desktopapp), gebruikersnaam, wachtwoord en het aanmelddomein of de procesnaam vastgelegd; voor websites zijn jokertekens voor subdomeinen toegestaan (*.contoso.com). De wachtwoorden staan in de interne, versleutelde opslag van Power Platform of in een Azure Key Vault van de organisatie, waarvoor subscription-ID, resourcegroep en vaultnaam worden opgegeven en de resourceprovider PowerPlatform in het abonnement geregistreerd moet zijn. Wachtwoordvelden worden ondersteund op websites en de meeste Windows-toepassingen (WinForms, WPF, UWP, WinUI, Win32); Electron-, Java- en Unity-apps, games, opdrachtregelprogramma's en Citrix of andere gevirtualiseerde omgevingen mogelijk niet.

Beveiligingsgrenzen

Een agent die een computer bedient, heeft duidelijke grenzen nodig. De documentatie biedt er drie:

Access control. Standaard mag de tool elke website en toepassing bedienen. Met access control wordt dat beperkt tot een allow-list van URL's en desktoptoepassingen. De beperking werkt op handelen, niet op openen: staan alleen microsoft.com en Microsoft Edge op de lijst, dan kan het model via de zoekbalk van Edge nog Bing openen, maar elke interactie met Bing mislukt.

Enforce HTTPS. Met deze instelling werkt de tool alleen met websites waarvan de URL met https:// begint.

Human supervision. De maker wijst een persoon aan die via Outlook een e-mail krijgt wanneer de tool instructies detecteert die mogelijk schadelijk zijn of het modelgedrag proberen te beïnvloeden. De run wacht op antwoord binnen een ingestelde termijn en stopt als dat uitblijft. Omdat elke run is gekoppeld aan de gebruiker die hem startte, ziet een andere beoordelaar de activiteit waarschijnlijk niet; de documentatie wijst daarom op het kiezen van een beoordelaar met de juiste context.

Aanbevelingen voor de machine

De documentatie adviseert voor computer use een toegewijde, geïsoleerde machine; een gebruikersaccount volgens het principe van minimale rechten; webtoegang beperkt tot een allow-list van vertrouwde domeinen (bijvoorbeeld via Edge-beleid uit Intune); en alleen de desktoptoepassingen geïnstalleerd en toegestaan die voor de taak nodig zijn (bijvoorbeeld via application control).

Kosten

Computer use wordt afgerekend via de agent-action-functie in Copilot Credits. Elke run bestaat uit stappen; een stap kan een of meer laag-niveau-acties omvatten, zoals klikken, typen of navigeren. Een stap kost 5 Copilot Credits bij een standaardmodel. Het voorbeeld uit de documentatie: een urenregistratie invullen in vier stappen (browser openen, nieuwe urenstaat aanmaken, drie velden vullen, verzenden) kost 20 credits. Voor de businesscase telt dus het aantal stappen per run maal het aantal runs, niet de duur of het aantal klikken.

Autonoom of conversationeel

De documentatie positioneert computer use vooral voor autonome agents die op de achtergrond werken. In conversationele agents, bijvoorbeeld via Teams, kan de tool ook worden ingezet, met twee kanttekeningen: bij gebruikersauthenticatie heeft elke gebruiker eigen toegang tot de machine nodig, en tijdens de run verschijnen redenering en schermafbeeldingen in de chat.

De rest van de aankondiging van 26 mei

Dezelfde blogpost noemt de herontworpen workflows-ervaring, beschikbaar in early-release-omgevingen: één canvas waarop bestaande agents als knooppunt worden geplaatst, met inline configuratie, testen per knooppunt en AI-acties zoals classificatie. Agent-to-agent-communicatie (A2A) is algemeen beschikbaar; Work IQ krijgt een REST API, een CLI en ondersteuning voor remote MCP-servers. Real-time voice-agents zijn algemeen beschikbaar in Noord-Amerika via Dynamics 365 Contact Center.

Als praktijkvoorbeeld noemen beide posts Graebel, dat met een Service Order Agent relocatieverzoeken uit ongestructureerde e-mails verwerkt en het eigen Global Connect-platform, dat geen API biedt, via de UI bedient.

Met de GA-status van mei 2026 verschuift het werk van experimenteren naar inrichten: machines, accounts, allow-lists en toezicht.

Bronnen

Over de auteur

Mohamed Zagoudi

Freelance systeembeheerder & ICT-coördinator

Dit artikel is gebaseerd op eigen praktijkervaring in ICT-beheer en automatisering en bevat geen verwijzingen naar specifieke klanten.

Vragen over dit onderwerp?

Stuur me gerust een bericht. Ik reageer zelf.